Mag het een pond minder zijn? (2017)

[et_pb_section fb_built=”1″][et_pb_row][et_pb_column type=”4_4″ parallax=”off” parallax_method=”on”][et_pb_text]

Voor minder geld koop je minder. Een logische stelling die niet altijd
opgaat als het om voeding gaat. Obesitas, ook wel ernstig
overgewicht genoemd, komt in Nederland twee keer zo vaak voor bij
mensen die in armoede leven, dan bij anderen (Centraal Bureau voor
de Statistiek, 2016). Hoewel het individu verantwoordelijk is voor haar
gezondheid, kan het verzuim van onze verzorgingsstaat in deze niet
worden genegeerd. Integendeel. Obesitas binnen huishoudens met
armoede is het gevolg van een tekortschietende verzorgingsstaat.

Wie in Nederland een supermarkt binnenstapt zou het aanbod
kunnen vergelijken met de samenleving: gevarieerd.
Budgetvriendelijke producten liggen naast de prijzigere, veganistische
sojablokjes worden tegenover de plofkippen uitgestald, de Aziatische
keuken deelt het gangpad met de van oorsprong Surinaamse
ingrediënten en de biologische appel uit eigen land ligt naast het
ingevlogen drakenfruit. Hoewel het aanbod enorm is, heeft niet
iedereen evenveel keuze.

In Nederland leeft namelijk 10,4 % van de bevolking
in armoede(Centraal Bureau voor de Statistiek, 2015).
Armoede is een relatief begrip. Wat in Nederland als armoede wordt
gezien, kan elders als rijkdom worden beschouwd. Het omgekeerde is
onwaarschijnlijk en tegelijkertijd niet ondenkbaar.
Om te bepalen of iemand onder de armoedegrens leeft, worden er in
Nederland twee referentiebudgetten aangehouden: het basisbehoeftenniveau
en het niet-veel-maar-toereikend niveau. Respectievelijk gaat het
om fysieke armoede en sociale armoede. ‘Het basisbehoeftenniveau
gaat uit van het minimale bedrag dat nodig is voor de onvermijdbare,
basale kosten. Dit zijn de kosten voor voeding, kleding, wonen, persoonlijke
verzorging, vervoer en wat overige kleine noodzakelijke uitgaven.
Eventuele kosten voor ontspanning en sociale participatie zijn hierin
niet meegenomen en daarom kan het basisbehoeftenniveau als een
ondergrens worden gezien voor armoede. Het niet-veel-maar-toereikendniveau
houdt wél rekening met de minimale kosten voor ontspanning en sociale participatie.

Bij dit niveau wordt armoede breder opgevat: ook iemand die te
weinig geld heeft om te kunnen participeren in de samenleving,
is in deze benadering arm.’(Soede, 2011)

Bij een gezin bestaande uit een vader, moeder en twee kinderen is
basisbehoefte, uitgedrukt in euro’s, 1830 per maand. (Sociaal Cultureel
Planbureau, 2016). Dit is het bedrag dat de verzorgingsstaat in
Nederland, zelfs al heeft iemand nog nooit gewerkt, minimaal dient uit
te keren als er geen andere bronnen van inkomsten lijken te zijn.
Hiervan is 342 euro begroot voor de voeding(Soede, 2011).
Kortgezegd betekent dit dat een vierpersoonshuishouden voor 85 euro per
week moet eten én drinken.

Het Voedingscentrum, een organisatie die maatstaven voor een gezond voedingspatroon heeft opgesteld en welke de overheid ook als maatstaf aanhoudt, geeft aan de hand van de zogenaamde Schijf van Vijf richtlijnen over waar een gezond voedingspatroon aan zou moeten voldoen: een gevarieerd dieet bestaat uit zuivel, brood, vlees of vis, noten of bonen, groente én fruit.

Het Voedingscentrum en daarmee indirect ook de overheid adviseert
om twee stuks fruit per dag te eten. Zelfs als de luxere fruitsoorten als
aardbeien en mango’s buiten beschouwing worden gelaten en de
meest simpele en goedkope soorten worden ingecalculeerd, is het
ondenkbaar om met een minimaal inkomen, zonder hulp van naasten
of de Voedselbank aan deze richtlijnen te voldoen.

Het verzuim van de verzorgingsstaat om een gezonde levensstijl voor
mensen in armoede mogelijk te maken wordt al duidelijk in de
supermarkt. De opbouw van prijzen in supermarkten is zo breed, dat
iedereen zijn honger kan stillen. Wel is er een duidelijk onderscheid
tussen de prijzen van onbewerkte, voedzame producten en bewerkte producten met zogenaamde lege calorieën. Dit zijn producten die niet
meer dan een verzadigingsgevoel opleveren en waarbij vitaminen en
mineralen niet of in zeldzame mate aanwezig zijn.

Een gezin van vier, dat volgens de opgestelde richtlijnen dagelijks twee
stuks fruit zou moeten eten, heeft zesenvijftig stuks fruit nodig per
week. Één appel kost tachtig cent. Dit betekent dat een gezin voor het
fruit alleen al vierenveertig euro per week kwijt is. Dit is zónder
hoofdmaaltijden. Ook de noten en vis zijn met een soortgelijk budget
niet binnen bereik. Wie voor vijfentachtig euro per week vier personen
moet voeden en het hongergevoel wil mijden, ziet niet zelden een
kortere weg dan de producten die zijn opgenomen in de Schijf van
Vijf. Voor tachtig eurocent kunnen er immers ook tien pannenkoeken
worden gebakken of zes afbakbroodjes worden gekocht of één
familieverpakking van vijftien vissticks. Dat een soortgelijk
voedingspatroon op de langere termijn tot gezondheidsproblemen,
zoals obesitas kan leiden, is voor de meesten die in armoede leven
geen zorg voor nu.

Het is namelijk zo dat mensen in armoede minder snel naar de
gevolgen van hun keuzes op langere termijn kijken. Want zoals in het
onderzoek Poverty Impedes Cognitive Function (Mani, et al, 2013)
wordt duidelijk gemaakt, gaat een individu bij schaarste over op de overlevingsstand.
Het kijkt slechts naar wat op de kortere termijn nodig is. ‘Zo leidt schaarste tot onverstandige
beslissingen. ’ (Mani, et al, 2013).
Hoewel de verzorgingsstaat niet direct aansprakelijk is voor het feit dát
er mensen in armoede leven, is het wel verantwoordelijk voor de
toegankelijkheid van een gezond, veilig en duurzaam eten voor
iedereen. (Rijksoverheid, z.j.) Opmerkelijk hierin is, is dat de overheid
zelf aangeeft gezond en duurzaam eten toegankelijk te willen maken
voor iedereen en tegelijkertijd evenveel belasting vraagt voor de
voedzame producten als voor de snacks of andere bewerkte
producten. De toegang tot ongezonde, niet-duurzame en voor het
lichaam minder veilige producten is op deze manier een stuk groter
dan die voor de gezondere producten.

Ook in de vorm waarin het budget voor voeding wordt verstrekt schiet
de overheid tekort. Het geld dat is gereserveerd voor voeding, kan
ook aan andere doeleinden worden besteed en het is niet ondenkbaar
dat dat ook daadwerkelijk gebeurt. Schaarste neemt immers, zoals
eerder benoemd, bezit van iemands geest (Mani, et al, 2013). Wie in
schaarste leeft, focust zich op de korte termijn, op het nu, op het
overleven.

Gezonde voeding werpt zijn vruchten af op de langere termijn.
Dat betekent dat er nu geïnvesteerd moet worden, door meer uit te geven
aan bijvoorbeeld fruit of andere voedzame producten en daar later pas de
vruchten van worden geplukt. Maar wie in armoede leeft denkt
niet aan volgende week, maar aan komende maaltijd. En in de
supermarkt kun je hoe paradoxaal ook met het minste geld, in volume
het meeste halen.

Zoals jaren geleden al werd geopperd (De Vrac(z.j)) zou de overheid
hierin verandering kunnen brengen door de ongezondere producten
van een hogere taks te voorzien of juist de voedzame producten van
een lager belastingtarief. Dat laatste lijkt niet aantrekkelijk, aangezien
dit betekent dat de staat op kortere termijn minder zal gaan verdienen.
Maar wie verder kijkt, ziet dat dit niet alleen in het voordeel is van de
mensen die in armoede leven, maar ook voor de overheid zelf. In 2012
bedroegen de zorgkosten, die gedragen worden door de overheid, als gevolg
van overgewicht maar liefst 1.6 miljoen euro (Panhuis- Plasmans, Luijben en Hoogenveen (2012).

Met het directe terugdringen van overgewicht, zullen de zorgkosten al op kortere termijn explosief dalen. Bijzonder is dat deze oplossing nooit is toegepast door de verzorgingsstaat. Hetzelfde onderzoek (Panhuis-Plasmans, Luijben en Hoogenveen (2012)) wijst namelijk ook op een kanttekening: hoewel de zorgkosten voor obesitas op de kortere termijn omlaag gaan, zal een gezondere bevolking een hogere levensverwachting hebben. En een hogere levensverwachting betekent dat de zorgkosten langer zullen doorgaan en wellicht niet gedrukt zullen worden, maar van bestemming zullen gaan veranderen; waar eerst de kosten bij
gezondheidsklachten omtrent obesitas lagen, zal hetzelfde bedrag, of
wellicht meer, moeten worden uitgegeven aan ouderdomsziektes als
alzheimer. Dit soort ziektes zullen vaker optreden naarmate de
bevolking ouder wordt.

Overigens kampt niet alleen Nederland met een hoog aantal
overgewichtsgevallen bij armoede. Ook in Amerika, waar fastfood
aanzienlijk goedkoper is dan een maaltijd die de Schijf van Vijf zou
voorschrijven, is overgewicht in combinatie met armoede een zorg.
Het aantal mensen dat lijdt aan obesitas én het aantal dat lijdt aan
diabetes type twee, het type obesitas wat het gevolg is van
ongezonde, foute voeding, is in de 21e eeuw alleen maar gestegen.
(Case en Deaton, 2015) Net als dat armoede in Amerika de afgelopen
vijf jaar een steeds hardnekkigere en toenemend verschijnsel is
geworden. (Edelman, 2013)
Het opvangnet, zoals Nederland dat kent, bestaat vooralsnog niet in de Verenigde Staten; particuliere initiatieven worden opgezet om gezinnen in
armoede te helpen.

In Nederland kennen we een soortgelijk initiatief dat zich de
Voedselbank noemt. Dit initiatief is ook opgezet door particulieren en
zorgt voor voedselpakketten voor mensen die onder de
armoedegrens leven. Uit onderzoek (Neter, Dijkstra, Visser &
Brouwer, 2014) blijkt namelijk dat 70% van de bezoekers van de
Voedselbank voedselonzeker is. Dit betekent dat zij niet altijd de
mogelijkheid hebben om voldoende of gezond te eten. Los van dat
hierdoor nogmaals duidelijk wordt dat de verzorgingsstaat verzuimt in
haar zorgverplichtingen, werkt dit initiatief niet mee aan een
gezondere levensstijl bij mensen in armoede.

Uit hetzelfde onderzoek (Neter, Dijkstra, Visser & Brouwer, 2014)
blijkt namelijk dat het aan gezonde producten bij de voedselbank
ontbreekt. ‘Regelmatig bevatten de pakketten chips, frikandellen,
mayonaise, snoep, koekjes, toetjes, frisdrank en andere zoete en vette
producten. De voedselpakketten zijn er voor mensen ‘die honger
lijden.’ Beter chips dan helemaal niets.’

Uiteraard is het niet zo dat het verzuim van de verzorgingsstaat het
ongezonde, soms onverantwoordelijke gedrag, van mensen in
armoede legitimeert. Elk volwassen individu is zelf verantwoordelijk
voor zijn keuzes. Maar wanneer de Verzorgingsstaat haar plicht van
toegankelijk, duurzaam en veilig voedsel voor écht iedereen vervult en
hogere kosten op langere termijn niet boven de gezondheid van haar
bevolking verkiest, dan is er voor de mensen in armoede een drempel
minder op de al hobbelige weg.

 

[/et_pb_text][et_pb_text][/et_pb_text][/et_pb_column][/et_pb_row][et_pb_row][et_pb_column type=”4_4″ parallax=”off” parallax_method=”on”][et_pb_text][/et_pb_text][et_pb_text][/et_pb_text][/et_pb_column][/et_pb_row][/et_pb_section]

Gepubliceerd op
Gecategoriseerd als Blog

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *