Selecteer een pagina

HATSEFLATS! Ik heb een marathon gelopen binnen mijn streeftijd. Het duurde vier jaar om precies te zijn, maar ik kan eindelijk trots zijn op mijn marathonprestatie. Ik neem je mee naar de 42 kilometers van gisteren.

Maar eerst nog even over de voorbereiding: daar zat namelijk een groot dieptepunt in.

Voorbereiding

December vorig jaar besloten een vriendin en ik de marathon in Rotterdam te gaan lopen. Op 1 januari begon ik met trainen. Zo had ik drie hele maanden om me voor te bereiden en dat is (voor mij) haalbaar. Het eerste wat ik deed was mijn eetpatroon aanpassen. Ik stopte met het eten van ellende (lees: chips, koek, snoep, cakejes) en voegde meer gezondere koolhydraten toe aan mijn maaltijden. Best een dingetje voor iemand die een paar keer per week een zak chips inhaleert ;). Daarnaast dook ik twee keer per week de sportschool in om mijn benen en core te trainen én drie keer week gingen de hardloopschoenen aan om kilometers te maken. Alles ging goed, al zeg ik het zelf, tot ik ziek werd. Niets ernstigs, wel lang en heftig. Het resultaat: in maart deed ik drie weken lang niet mee aan het ‘echte leven’. Dus niet werken, geen colleges en niét trainen. Toch bleef ik positief. Ik moest en zou immers onder de vier uur en vijftien minuten gaan rennen.

Raceday

De nacht voor raceday lag ik om half tien al in bed, maar van slapen kwam het amper. Ik was de hele dag al aan het stuiteren van enthousiasme en ’s nachts werd ik er niet bepaald rustiger op. Toen ik eindelijk wél sliep, droomde ik dat ik tijdens de wedstrijd verdwaalde en van de organisatie volgend jaar maar weer moest terugkomen. Maar dat is dan ook het enige wat niet goed ging, want als we de nacht even vergeten ging de gehele marathondag volgens planning.

Om 06:00 sta ik op en een half uur laten ontbijten we op onze hotelkamer met zelfgemaakte pannenkoeken en dadels. Omdat het negentien graden wordt, drink ik twee liter water en rest me nog slechts één ding om te doen: wachten tot de start. En ik kan je vertellen: dat wachten is nogal een uitdaging als je overenthousiast bent en pas om 10:20 uur mag rennen.

Start

Ik sta alleen aan de start. De vriendin waarmee ik het weekend in Rotterdam doorbreng staat in een ander startvak. Nog vijf minuten en dan mag ik, nog vier minuten, nog drie minuten, twee, ja! Ik loop de startstreep over en het enige waaraan ik kan denken is: 42 kilometer binnen vier uur en vijftien minuten.

De eerste vijf kilometers gaan moeizaam. Mijn tempo is prima, mijn lichaam voelt goed, maar ik zit er met mijn hoofd niet lekker in. Ik ben helemaal niet aan het genieten en vergeet al snel waarom ik dit doe. ‘Ja, waarom doe ik dit eigenlijk?’ Ik probeer in de flow te komen, maar het lukt niet. Als ik het bord zie dat aangeeft dat de eerste vijf kilometers erop zitten denk ik alleen aan het feit dat ik dit stuk nog acht keer en een beetje moet rennen…

En hoewel ik me nog steeds niet bewust ben van de reden achter deze onderneming, ren ik door. Bij het tienkilometerpunt, waar ik een beker drinken aanneem en met mijn meegebrachte rietje opdrink, bedenk ik me dat ik moet plassen. Maar dan verlies ik tijd en misschien haal ik mijn streeftijd dan niet’. En voor wie nu denkt dat een marathon uitlopen al bijzonder genoeg is: dat is het ook. Dus wees vooral trots op de mensen om je heen die er één uitlopen of op jezelf dat je de finish haalt. Maar besef ook dat iedereen andere doelen voor zichzelf stelt. De één wil ‘m slechts uitlopen, de ander wil hem uitrennen zonder ook maar één keer te wandelen en weer een ander heeft een eindtijd in gedachten. Die gedachten van mij slaan trouwens helemaal op hol als ik na twaalf kilometer iemand op de grond zie liggen.

De man is lijkbleek, heeft zijn ogen dicht en lijkt niet te bewegen. De hulpdiensten staan al om hem heen en denk direct aan het ergste. Ik voel de zon ineens nóg warmer worden. Er is geen schaduw op dit stuk, het duurt nog even voor er weer drinken wordt aangeboden en ik ben even bang dat die warmte mij straks ook te grazen neemt. Maar dat zijn irrationele gedachten, bedenk ik me snel genoeg. Ik voel me namelijk nog steeds goed, ik ben niet duizelig en heb echt genoeg gedronken. Ik blijf doorrennen terwijl ik denk aan het vriendinnetje dat óók aan het rennen is. Hoe zou het met haar gaan? En ohja: ik moet nog steeds plassen. Ik spreek met mezelf af dat ik naar de wc mag op voorwaarde dat ik een dixie vindt waar géén rij staat én dat ik daarna bij elke drinkpost een beker water drink.

Na vijftien kilometer is daar dan eindelijk een wc zonder rij. Ik sprint erheen (zo win ik tijd), plas en sprint weer een klein stukje om de verloren seconden te compenseren. Het lucht op, ik ben blij en ik raak daarna zo in een flow dat ik geen idee heb wat er allemaal gebeurt tussen de vijftien en de 21 kilometer. Ineens zit de helft van de race er alweer op. Oké, nu moet ik echt gaan genieten van alles om me heen, want het gaat ‘gewoon’ goed, ik lig op schema, heb nergens pijn en over vier kilometer staan mijn ouders op de Erasmusbrug met drinken. Maar als ik één ding heb geleerd, is dat je nooit, maar dan ook nooit te vroeg moet juichen. Ook nu niet.

Vrijdag kun je deel twee lezen van mijn verslag.